Klarinet, Geschiedenis van de

Op het grote marktplein van Marrakech - een oude Marokkaanse stad aan de voet van de Hoge Atlas - is het een drukte van belang. Meloenenverkopers, waarzeggers, schoenpoetsers, kwakzalvers, schapen, dromedarissen, aapjes en vooral veel kleine jongetjes lopen in een schilderachtige wanorde over het stoffige plein. 

Naast een herenkapper zit een slangenbezweerder, die heel behoedzaam een rieten mandje openmaakt, waarin twee giftige cobra's liggen te slapen. Uit de zak van een lange boernoes haalt de man een muziekinstrument, een dubbelklarinet tevoorschijn en begint daarop te spelen. Het is een langzame, wat slepende melodie, die voor beide cobra's het signaal is om wakker te worden. 

De Zummara, zoals het blaasinstrument van deze slangenbezweerder heet, heeft twee pijpen, die even lang zijn en aan elkaar zijn vastgemaakt met ijzerdraad. Die twee pijpen worden tegelijk aangeblazen. Dit instrument is al heel oud en stamt af van de Memet die al werd bespeeld rond 2700 voor Christus en hoogstwaarschijnlijk het prototype is van de klarinet zoals wij die kennen. Wat heeft de Zummara nou te maken met de klarinet? Een heleboel, omdat beide instrumenten een cilindrische boring hebben - wat betekent dat het geboorde gat overal dezelfde doorsnede heeft - en wordt aangeblazen met een enkelriet (de hobo bijvoorbeeld heeft een dubbelriet). Natuurlijk bestaan er ook verschillen tussen de twee blaasinstrumenten. Een van de meest belangrijke is wel dat bij de Zummara de toongaten direct worden afgesloten met de vingers en bij de klarinet door middel van kleppen. 

Geschiedenis van de klarinet
Lang geleden moet iemand tot de ontdekking zijn gekomen dat een stuk riet of bamboe heel geschikt is om veel geluid te produceren. Je snijdt uit deze bamboestengel een tongetje, dat snel kan vibreren: vervolgens neem je dat uiteinde met het tongetje helemaal in de mond en blaast erop. Het resultaat is een harde en scherpe toon. Om verschillende tonen te kunnen maken moeten in de buis enkele gaatjes worden geboord. Wanneer dat is gebeurd heb je het model van een oer-klarinet. 

De Egyptenaren voegden er een tweede pijp aan toe, de Phoeniciers een derde en de Voor-Indiërs schoven over het mondstuk van de tweede pijpen een Kalebas. 

De Welshmen hadden een andere variant. Zij schoven het opstaand rietblad in een koehoorn en noemden het een pibcorn. 

De meest eenvoudige instrumenten van dat type hebben geen toongaten: de wat meer bewerkelijke wel. 

De Launeddas, een meervoudige klarinet, afkomstig van de Phoeniciers is nog altijd een van de meest bespeelde muziekinstrumenten van het eiland Sardinië. De Launeddas heeft drie pijpen; twee daarvan zijn de melodie-pijpen, waarop meerstemmig wordt gespeeld in tertsen en sexten. De derde pijp is de drone of bourdon, die een lage toon geeft. Terwijl de speler zijn melodie blaast moet hij tegelijkertijd adem halen door de neus, wat niet zo eenvoudig is. 

Over de wijde poesta's van Hongarije klonken vroeger - toen daar nog veel herders waren - de weemoedige klanken van de heel mooie taragot, een enkelvoudige klarinet, gemaakt van hout. Sommigen noemden het een schalmei, een woord afkomstig van het Latijnse calamus, dat "rietfluit" betekent. 

Onder de naam chalumeau (schalmei) kwam in de zeventiende eeuw op het Duitse platteland een houten blaasinstrument voor dat negen toongaten had. De toonomvang van de chalumeau lag tussen de f en a. De pijp en mondstuk waren één geheel. Dit instrument, waarvan helaas geen enkel exemplaar meer te vinden is, is de directe voorloper van de klarinet. Als zodanig is de chalameau dan ook de geschiedenis ingegaan. 

In Neurenberg in Duitsland, leefde in de tweede helft van de zeventiende eeuw een heel kundig instrumentenbouwer, Johann Christiaan Denner, die een specialist was in het maken van blokfluiten. Maar toch was hij meer gefascineerd door het geluid van de chalumeau dan van zijn eigen instrumenten. In het jaar 1690 maakte hij zijn eerste- zoals die later werd genoemd- "verbeterde chalumeau". Het instrument had de vorm van een sopraanblokfluit en bestond uit verschillende houten geledingen met een afzonderlijke beker en twee kleppen. Deze tegenover elkaar geplaatste kleppen waren de allerbelangrijkste toevoegingen aan het instrument. 

Zijn zoon Johann, ook instrumentenbouwer van beroep, zette het werk van zijn vader voort. Hij bouwde rond 1720 eenzelfde type chalumeau, maar plaatste de kleppen zodanig, dat ook het overblazen mogelijk werd. Deze techniek kon nog niet worden toegepast op het instrument van vader Denner. Dat had - volgens kenners - alles te maken met de wat onhandige plaatsing van de twee kleppen. De eerste eenvoudige klarinet werd rond 1720 door Johann Denner gemaakt. Maar waar en wanneer de naam van het instrument voor het eerst werd gebruikt, weten we niet. Het woord klarinet komt van het Italiaanse clarino. De klank van de vroegere Denner-klarinet leek volgens velen uit die tijd op die van de trompet. Vandaar de naam clarino of clarinetto dat "klein trompetje" betekent. 

Aan het einde van de achttiende eeuw bouwde de Berlijner Floth een klarinet met acht kleppen en in 1810 bracht Müller een instrument op de markt met maar liefst dertien kleppen. Deze Müller-klarinet is uiteindelijk het instrument geworden, zoals wij dat nu kennen. 

De allerlaatste grote verandering en verbetering werd aangebracht in 1840. Het kleppensysteem van Böhm, dat al eerder was gebruikt voor de dwarsfluit, werd ook toegepast op de klarinet. Vanaf die tijd is er geen sprake meer geweest van grote veranderingen aan het instrument, dat samen met de fluit, hobo en fagot de houtblazerssectie vormt in het orkest. Jazeker, ook de fluit hoort in dit rijtje thuis, omdat dit instrument oorspronkelijk een houten instrument is. 

De klarinet is een houten, cilindrisch geboord blaasinstrument, dat wordt aangeblazen met een enkel riet en dat verschillende toongaten heeft. De toongaten (meestal 18) worden afgesloten door kleppen. Het instrument bestaat eigenlijk uit vijf delen: de beker, het onderstuk, het bovenstuk, een tonnetje en het mondstuk.